OKTOBER

(bij ‘octobre’ van Francis Cabrel)

 

Terwijl de mist in wit gewaad

de prille ochtend kleedt

zal wind de takken kraken

en ’t eerste goud te slapen leggen

op ronde kiezels van ons pad.

 

Oktober zal de warmste zomer wreken,

schier dagelijks de schaarse stralen

van de verlegen, klamme zon

verhullen in wat plukken wol,

verborgen onder dikke sjaals.

 

Maar 's avonds zal de nevel waken

bij slapende fonteinen,

bij lege glazen op een kleffe tafel,

geweven aan bemoste twijgen

van de bestolen oude notelaar.

Op de top van onze heuvel

drinken wij oktoberlicht

dat eerst nog bleek en parelgrijs

doorheen je zachte haren schijnt,

dan straalt doorheen het bos dat buigt

en leunend op de oude banken

herinneringen aan ons twee bezingt.

 

Ik zal je herfstbloemen

op kleurrijke tafelkleden schenken,

je leiden door het avonddorp,

langs felle, lichte mensenhuizen,

met je lachen om de schaduwen,

de tekeningen van condens.

 

In het slinkend licht van morgen

zullen dan kinderen dankbaar spelen,

de  blije kinderen van ons vlakke noorden.

 

Oktober mag nog even blijven

zolang de kinderen nog buiten spelen

en wij hier in het najaar treden,

ons in satijnen kleuren kleden

en ademen op goed geluk.

 

Wil je misschien nog even blijven?

 

© PV, Bourgogne, half oktober 2026

 

 

GOUD

 

Het najaar schudt de handen

uit takkenlange mouwen

en vangt de feestelijke tinten

in dreven langs de waterkant

onder de godverlaten dijken

en spiegelende kreken

van dorpen in de Wase polder.

 

Hier slaapt het land en rust het water

terwijl de wandelaar de kleuren gaart,

in manden vol van zomerlust,

het brons en goud bewaart

voor de beloken najaarsdagen.

 

Hier oogst een mens het schoonste licht

opdat hij godverlaten winterdagen

en immer weer die duisternis

op vleugels van herinnering

voorbij de langste nacht kan dragen.

 

foto Hugo De Bodt

beeld Lutgarde De Gendt

Kermis 2025

 

Nog ééns

wil ik de zomer vieren,

vandaag,

vlak na de regen,

op deze uitgeklaarde dag,

uitbundig al deze doorzonde tinten

in hart en hersenen

blijmoedig welkom heten.

 

 

Nog ééns genieten

van ‘t vrolijk treffen in het groene park,

van de schaduwrijke frisse randen

van dit klaterende dorp.

 

Nog ééns de troost

van ‘t louterende samenzijn

in hoge kroezen zon

trachten te vangen en te delen.

 

Nog ééns.

 

Alvorens weer de storm

ons gierend uit elkaar zal jagen,

met flikkerende wolken

een eind maakt aan de droge  zomerdagen.

De Vlaamse velden roeren niet

en blijven stil en strak getuigen

in eerbied en verkropt verdriet.

Ontsteek het licht en spreid het woord

opdat geen mens nog jeugd vermoordt.

 

(bij werk van Marie Jeanne Vermeulen)

WIJDOPEN BRIEF

Aan mijn predatoren.

 

Ik duik, ik vlieg en draag

mijn bonte oorlogskleuren.

Ik hou het brede broedsel drijvend,

de uitgestrekte jonge toom

in ’t brede zog van moeder eend.

 

Ze prikte plichtsbewust

de gaten in het eigen dons

en bouwde zachtjes zorgend

aan het weldadig warme nest

dat gisteren de koele ruimte koos.

 

Ik heb mijn blinkend felle tooi

nog ééns gespiegeld in het klare water

waar ik, onder het razende gesnater

van mijn ontzette kreekgenoten,

ontzield mijn plotse einde vond.

 

De laatste pen uit mijn verlaten veren

heb ik langsheen bebloede oevers

aan een verwaaide dichter meegegeven.

Aan hem dank ik dit verder leven.

 

bij het werk van Aleydis De Bock, september 2024

GANS DE NACHT

 

Kijk, overal licht.

 

In de omfloerste rust

van deze zoete plek

alleen wij twee

in dit stilzwijgen

dat ons onstuimig gakken

maar zelden kan pareren.

 

Laat ons op deze rijke grond,

in ‘t innig blijde welbehagen,

het waakzame genot ervaren,

het gulden licht aanschouwen.

 

Om straks het hemeldak

weer te doorklieven

op zoek naar leeftocht

naar zeldzame serene stonden

waarin we samen zwijgen.

 

Kijk, overal licht.

 

bij werk van Hugo De Bodt, september 2024